|
Het "oude" gemeente wapen dat thans 'dorpswapen van Nieuw-Vossemeer' mag heten. (Tot 1817 had Nieuw-Vossemeer geen wapen en verzocht zodoende de Hoge Raad van Adel erin te voorzien. Omdat Nieuw-Vossemeer tot 1809 deel heeft uitgemaakt van de provincie Zeeland, is aansluiting gezocht met het wapen van Zeeland waarbij de leeuw is gewijzigd in een vos. Men verkeerde namelijk in de veronderstelling, dat Vossemeer zijn naam ontleende aan de vele vossen die alhier zouden hebben verbleven. Bij besluit van 16 juli 1817 kreeg Nieuw-Vossemeer het wapen met de volgende officiële omschrijving: 'zijnde van goud, beladen met een vos van synoplie(groen), zwemmende op een zee van lazuur (blauw), synoplie en zilver'.)
Deze Vos heeft hethierboven genoemde wapen' in haar hand.
|
De geschiedenis van Nieuw-Vossemeer
De geschiedenis van Nieuw-Vossemeergaat terug tot 1410, toen hertog Willem van Beieren, graaf van Holland en Zeeland, deheerlijkheid Vossemeer in leen gaf aan 6 ambachtsheren. Dit was de eersteuitgifte van leengronden. Deze en een tweede uitgifte in 1415 geschiedden met het oog op de bedijking van hetuitgebreide gebied van gorzen en slikken vol waterlopen en kreken dat nog onbeschermd lag en in cultuur moest worden gebracht. De bedijkingen van hetgrondgebied geschiedden gedurende een proces van ruim 450 jaar en ging voort tot 1869 toen deBecius-polder als laatste polder onder Nieuw-Vossemeer werd ingedijkt. Het dorp Nieuw-Vossemeer is in 1567 gesticht als gevolg van de bedijking van de Hoogplaat, de polder van Nieuw-Vossemeer en de bouw van de eerste huizen. De bedijking was een Zeeuws project, ondernomen door de ambachtsheerlijkheid van (Oud) Vossemeer. Deze polder lag aan de oostkant van de Eendracht, tegenover het dorp Vossemeer, dat sindsdien Oud-Vossemeer heet. De naam vindt overigens zijn oorsprong in de waterstromen 'Vosvliet' en 'Mare' in de polder van Oud-Vossemeer
Beide dorpen behoorden tot het graafschap Zeelanden vormden eenambacht of heerlijkheid, staande onder het gezag van eenaantal heren, oorspronkelijk zes. Die heren hadden deheerlijkheid gekocht van de graaf van Holland en Zeeland. Zij wezen de baljuw en de zeven schepenen aan die de beide dorpen als eeneenheid bestuurden en er ook als rechtbank fungeerden.
Ze konden zelfs dedoodstraf opleggen, want hun heerlijkheid was eenhoge heerlijkheid. Nieuw-Vossemeer verdween in 1578 alweer van de kaart, dit als gevolg van de Tachtigjarige-oorlog (1568-1648). Soldaten zetten de polders onder water en verbrand- den de huizen. Pas in 1609 bij het begin van het Twaalfjarig Bestand (1609-1621) begon de wederopbouw, waarschijnlijk op een andere plek. Nieuwe inpolderingen vergrootten het landbouwareaal. Ook het tweede Nieuw-Vossemeer bleef bij Zeeland horen en vormdebestuurlijk één geheel met Oud-Vossemeer, alwaar hetambachtsherenhuis stond en van- waar schout en schepenen recht spraken; goederen en land werden verkocht en bestuurlijke zaken werden geregeld. Op twee plaatsen was een veerboot-verbinding: bij het Nieuwe Veer en bij Botshoofd.
Door het uitbreken van de Franse Revolutie in 1789 kwam de geschiedenis in een stroomversnelling die ook de oudeambachtsheerlijkheid aan de Eendracht nietongemoeid zou laten. De Franse revolutionairen verkondigden dat alle mensen gelijk waren voor de wet. In de praktijk betekende dat ondermeer, dat de heren-eigenaars van eenheerlijkheid hun bevoorrechtepositie moesten afstaan. Vooral de boeren profiteerden daarvan. Het was afgelopen met de herendiensten, allerlei werkzaamheden die ze gratis voor hun heer moesten verrichten. In 1795 rukte een Frans leger ons land binnen en maakte een eind aan de Republiek der Verenigde Nederlanden. Daarvoor in de plaats kwam de Bataafse Republiek (1795-1806), in het leven geroepen door revolutiecomités. Die zetten zich in voor meer democratie. Zo ook in de beideVossemeren. Daar kwam een 'Comité Revolutionair' van de grond dat meteen de zaken radicaal aanpakte. Zo schreven ze aan hun heren onder meer: 'Wij hebben de eer u kennis te geven, dat de burgerij zoo te Oud- als Nieuw-Vossemeer, in navolging van vele steden en plaatsen in ons vaderland hun verlangen om aan de Revolutie deel te nemen hebben begonnen uit te werken, door alhier zeven, te Nieuw-Vossemeervier personen tot hunnen provisionele representanten aan te stellen, met macht en last, om de als doe fungerende regenten van hun posten teontslaanen eene door het volk benoemde regering te installeren aanwelk begeren ook is voldaan, zijndevoorlede zaterdag de oude regering bedankt en de nieuwe aangestelde door ons in genomen ...... Aardig is dat de ontslagen regenten door het comité meteen werden herbenoemd, wat kan wijzen op een prettige verhouding tussen gemeentebestuur en dorpsbewoners. Of waren er geen capabele krachten beschikbaar? De rol van de heren was er evenwel uitgespeeld, althans grotendeels.
Er veranderde nog meer. In 1806 maakte keizer Napoleon van de Bataafse Republiek het koninkrijk Holland met zijnbroer Lodewijk als eerste koning (1806-1810). Deze vorst bezocht op 4 mei 1809 Nieuw-Vossemeer. Hij besloot de plaats tot eenzelfstandige gemeente te verheffen, los van Oud-Vossemeer en ook los van Zeeland, want de Eendracht werd de grens tussen Zeeland en Brabant. Vanaf die dag, 4 mei 1809 is Nieuw-Vossemeer dus onder de vlag van Brabant gekomen. Een Koninklijk Besluit van 20 juli 1814 bekrachtigde deze wijzigingen. Er woonden destijds ongeveer 400 mensen boven de drie jaar in de nieuwe gemeente en als wij deZeeuwse geschiedschrijver Ermerins mogen geloven dan waren het nijvere boeren, want hij getuigt: 'daar blinkt de kiesheid der landslieden in het zuiver houden van hun akkers bijzonder uit'. Zodra de omwenteling van 1795 een feit was, gebruikte de overwegend katholieke bevolking haar verkregen vrijheid om een eigen kerk op te richten. Men hoefde dan niet meer naar de schuilkerk te Lepelstraat of elders om te kerken. Het sobere kerkgebouw werd in 1841 door een nieuw vervangen, dat op zijn beurt in 1873 moest wijken voor de huidige kerk. De protestanten, die 's zondags aan de overkant in Oud-Vossemeer kerkten, stichtten in 1649 een hervormde Gemeente. Aanvankelijk werden de diensten aan huis gehouden tot in 1654 met financiële medewerking van de Zeeuwse overheid en de ambachtsheren een eigen kerkje werd gebouwd, dat in 1850 ingrijpend is verbouwd en in 1969 als gevolg van de watersnoodramp is gerestaureerd. Om financiële redenen werd deHalsterse gemeente sedert 1825 gecombineerd met die van Nieuw-Vossemeer en vanaf 13 december 1981 vormen de Hervormden en Gereformeerden in Halsteren en Nieuw-Vossemeer een federatie.
|
|
De katholieke parochie maakte -gelegen in een Zeeuws dorp deel uit van het aartspriesterschap Holland en Zeeland. Bij hetherstel van bisschoppelijke hierarchy in 1853 werd Nieuw-Vossemeer bij het bisdom Breda gevoegd. (plaatje: vlag van Noord-Brabant) Geleidelijk aan ontwikkelde het dorp zich verder. De nederzetting kenmerkte zich door lintbebouwing langs de dijken en in deomgeving ontstonden degehuchten Heensemolen, Notendaal en Rolaf. In de jaren dertig van onze eeuw leed ook de bevolking hier zwaar economische crisis. Het was de tijd van het rijke Roomse leven ook van de kinderrijke gezinnen en de schrijnende armoede.
De Tweede Wereldoorlog liet weinig sporen na. Op 4 november 1944 trokken de bevrijders ons dorp binnen. De watersnoodramp van 1 februari 1953 trof Nieuw-Vossemeer heel pijnlijk. Vijftig inwoners verdronken in deze Beatrix-vloed
.Ter nagedachtenis aan deze omgekomenen staat op de dijk, waar de zee is binnengedrongen, eenherdenkingskruis. Vanwege demoeilijke toegankelijkheid (alsmede om heteinde van een zelfstandig Nieuw-Vossemeer (1809-1997) aan te geven) is in 1996 aan de Voorstraat het nieuwe watersnoodmonument gerealiseerd. Na die ramp kwam daarna wel een betere ontsluiting van het dorp door deaanleg van goede wegen en een meer planmatige bebouwing, gecombineerd met een grotere mobiliteit van de inwoners.
|